Navigatie
Vorige Menu Volgende

5.Wolkje
Viet Nam 1995.
Mijn binnenlandse vlucht van Sai Gon naar Ha Noi was vertraagd en tot mijn ontsteltenis werd de mij inmiddels
vertrouwde Airbus 310 vervangen door een antieke Tupolev, een Caravelle imitatie uit de glorietijd van de Sovjet
Unie, geen luxe vervoermiddel dus. En ja hoor, mijn rugzak bleek nergens in of tussen te passen en moest in de
pantry (boordkeuken) worden opgehangen. Niet zo'n erg groot probleem gezien het feit dat we ook nauwelijks
iets te eten of te drinken kregen. Kennelijk was de Tupolev ook daar niet op berekend, of het moest zijn dat
men ons van de destijdse soberheid wilde laten proeven. Ik zal nooit de woorden van de Amerikaanse zakenman
vergeten die naast me zat na de landing in Ha Noi:
"Nou dat viel ook weer mee, er zijn onlangs drie van deze neergestort.
Door een misverstand liep ik de chauffeur die het hotel gestuurd had mis en het kostte me 4(!) uren om hem
weer te vinden en mijn kamer te bereiken.
De volgende dag ging ik welgemoed naar het station. Ik had namelijk besloten een tochtje te maken langs de
Noord-Vietnamese steden waar de sneltrein naar het zuiden vorige week ongeïnteresseerd langs was gestoven.
Weer een probleem: volgens de lokettiste bestond er geen stoptrein in zuidelijke richting. Na een uur zeuren
bleek dat men vond "dat de stoptrein niet passend was voor westerse toeristen". Dat soort dingen heb ik wel
vaker meegemaakt in Viet Nam. Dus uiteindelijk zat ik in de stoptrein naar Thanh Hoa. Gezellig tussen de
passagiers, kippen, varkens, meegevoerde goederen en eetwaren verkopers, die bij elke halte in en uit stapten.
Het station lag buiten de stad. Direct vanaf het perron werd ik omstuwd en vervolgens gevolgd door een horde
schreeuwende lui die mij ongetwijfeld overal tegen mijn zin wilden heen brengen of erger. Na 500 meter gaf
de laatste het op. Ik beende namelijk vrij snel, op mijn gevoel af, in een bepaalde richting en met succes,
want ik vond een simpel hotelletje. De volgende twee dagen doorkruiste ik de stad.
Geen andere toeristen, heerlijk! Geen restaurants. Ook geen probleem, ik at van de markt.
De derde dag wandelde ik door de westelijke buitenwijken en verder nog, door een steengroeve. Toen ik de
stadsgrens weer overschreed was ik stoffig en dorstig en liet me op een bankje van een uitspanning zakken.
Onder het genot van een blikje cola zag ik een grote menigte zich rond mij verzamelen. Zelfs een belendende
bouw liep leeg. Vreemd, doorgaans had ik weinig bekijks in Viet Nam of het moest commerciële belangstelling
zijn. Ik moest eenvoudige vragen beantwoorden zoals "Noek nau?" (uit welk land kom je?) en "Ong bau nioe
tuoi?" (hoe oud ben je?). Plotseling wrong een mooi jong meisje zich door de rijen en nodigde mij in goed
Engels uit om gast te zijn in haar huis. Mijn cola was al op en de schoolse conversatie begon me te vervelen
dus ik stond op en volgde haar.
Tijdens het lopen mompelde ze dat ze haar land haatte en met mij mee wou naar mijn hotel en naar mijn land.
Ik antwoordde dat haar ouders dat vast niet goed zouden vinden, maar die begroetten mij zo enthousiast, dat ik
me begon af te vragen of die haar om die reden op mij hadden afgestuurd. Het meisje (foto) bleek 16 te zijn en
"Vaän" (=Wolkje) te heten. Na allerlei beleefdheden over en weer met het meisje als tolk werd ik voor het
avondeten uitgenodigd. Aangezien het nog lang geen avond was nam ik afscheid en beende de stad verder in.
Ik vond snel mijn hotelletje weer terug en nam wat rust. Tegen zessen ging ik weer naar het huis van Wolkje en
na afloop bracht vader mij en Wolkje op de motor naar het hotel, lekker intiem tegen haar aan, noodgedwongen
met mijn armen om haar heen om er niet af te vallen. Ik stuurde beiden weer naar huis en ging slapen, alleen!
De volgende morgen vertrok ik met de bus naar Hai Phong, maar niet na het besluit om Wolkje te 'redden'.
Ik ging er namelijk vanuit dat de volgende toerist haar dankbaar zou misbruiken.
Ik stuurde vanuit Nederland geld naar de familie met de opdracht haar te laten studeren en kwam een half jaar
later weer kijken. Inderdaad bleek ze in Ha Noi op school te zitten en ik gaf nu geld, ondermeer om het huis te
laten repareren. Wolkje kwam met de trein naar huis maar keurde me geen blik waardig. Toen vader mij (alleen)
naar mijn hotel bracht werden we aangevallen door diverse lui. Ik begon te beseffen dat het gezin niet bepaald
populair was in de stad en dat men kennelijk e.e.a. op zijn kerfstok had. Wolkje hulde zich daarover in nevelen.
Samen met moeder vertrokken we een paar dagen later naar Ha Noi om bij hun familie te dineren. Op verzoek
van haar moeder ging ik met Wolkje naar de universiteit om haar te laten 'keuren' voor studie aldaar. Ik kende
daar namelijk een paar mensen, maar die verzekerden me dat Wolkje veel te dom was. Later besefte ik dat
moeder van mij verwacht had dat ik de functionarissen wel even zou omkopen, en van die laatsten was ik ook
niet meer zeker. Toen ik weer een half jaar later langs kwam in Thanh Hoa was Wolkje "ergens in Ha Noi".
Het bedelen ging gewoon door, nu ten bate van de andere kinderen. Ik kwam er echter achter dat het merendeel
van het geld was omgezet in luxe, zo niet onnodig, huisraad. Terug in Ha Noi was Wolkje niet te traceren.
In 1996 trouwde ik met een vrouw uit het zuiden en voorjaar 1997 ging ik met haar nog eens 'langs' bij de
ouders van Wolkje. Moeder had namelijk nog een bedelbrief gestuurd die wat kleine rampen vermeldde om me te
bewerken. Dankzij mijn vrouw ging de conversatie opeens veel sneller en vervolgens nogal stroef. Het was wel
duidelijk: men wilde verder wel op mijn zak leven. Ik gaf mijn laatste financiële cadeautje in de vorm van wat
geld, vertrok samen met mijn vrouw, kwam er nooit meer terug en zag Wolkje dus ook nooit meer.
Waar was ik aan ontsnapt? Aan een duivelse valstrik? Wat zou er gebeurd zijn wanneer ik Wolkje aanvankelijk
haar zin had gegeven? Ik was overduidelijk een (rijke) man op jaren en alleen. Ik zal het nooit zeker weten.
;JOOP!