Navigatie
Vorige Menu Volgende

1.Zuid Viet Nam
1993. Ik was net gescheiden en alleen, tot verbazing van al mijn vrienden ("geen vriendin?"),
maar ik heb het niet zo op twee relaties tegelijk, laat staan meer. Er stond me maar één doel
voor ogen: weg! Niet thuis blijven zitten. Vrienden van mij waren net terug uit Viet Nam en
beschreven het land als een paradijs; wel een beetje arm en primitief, maar een lustoord voor
toeristen. Ik heb in mijn studententijd gedemonstreerd tegen de oorlog in Viet Nam, dus ik was
eigenlijk nieuwsgierig hoe het met dat land ging; vooral sinds het helemaal uit het nieuws
was verdwenen. Omdat ik een dergelijke reis nog nooit had ondernomen wendde ik me tot een
speciaal reisbureau en in December zat ik met een groep van nog 11 landgenoten in de Jumbo.
Ik had me met verhalen, boeken en films voorbereid, maar op het moment dat ik de
vliegtuigtrap afdaalde wist ik dat het allemaal voor niets was geweest: Viet Nam laat zich niet
beschrijven. Sai Gon was in die dagen redelijk stil, d.w.z. de straat van ons hotel was relatief
rustig en toentertijd waren er weinig auto's en motoren, maar wel fietsen en fiets-taxi's.
Vrijwel ieder lid van het reisgezelschap ging er 's avonds alleen op uit. Aan het einde van de
straat was een groot park zonder verlichting, met een aantal slapende of etende mannen. Op
mijn hoede wandelde ik het park in. Plotseling dook uit de schaduwen een jong sierlijk meisje
op, dat recht op mij af kwam (handen op je zakken! tja, geboren en getogen in Amsterdam).
Ze greep me echter met de rechter hand in mijn kruis en liet de wijsvinger van haar linker
hand in - en uit haar mond schieten. Dat was dus ook weer duidelijk! Ik sprong een meter de
lucht in, draaide 180 graden en sprintte het park uit. Nog vergeten te vragen wat het tarief was.
De volgende dag reden we met een gehuurde bus de stad uit, richting Mekong Delta.
"Nou, die wegen hier zijn keurig geasfalteerd; dat valt best mee" verkondigde een van de
middelbare dames in het gezelschap. Meteen bonsde de bus van het laatste restje asfalt af en
de rest van de tocht hobbelden we over allerlei soorten puin. Dat komt er nou van!
We kwamen uiteindelijk in een idyllisch dorpje (Long Xuyen) terecht waar we wat
rondwandelden. Bang voor zakkenrollers had ik mijn geld in een dunne portemonnaie aan een
riem om mijn middel, maar ONDER mijn broek gebonden. Plotseling begon de zaak te
zakken. Midden op een plein nog wel. Gelukkig kon ik neerploffen op een bankje, maar door
al het bekijks dat ik trok kon ik pas opstaan en de zaak herstellen toen iedereen weg was.
Na een paar dagen sightseeing, waarbij sommige vrouwspersonen twijfelachtige interesse
in mij (of mijn bezittingen) begonnen te vertonen, vertrokken wij naar de stad Can Tho.
In de avond ging iedereen ergens wandelen en ik meed de parken en bleef op de stoep lopen.
Toen ik een motorfiets met vijf (5!) personen erop (niet de foto) langs zag komen uitte ik mijn
verwondering hoorbaar. De man op de motor keerde, joeg de vier kinderen eraf en nodigde me
in gebroken Engels uit om achterop plaats te nemen en mee te gaan naar zijn woning.
Hij bleek een mislukte musicus (fluit) die in zijn onderhoud voorzag door Engelse les aan
buurtkinderen te geven (grappig: haast niemand sprak Engels, hij ook niet). Ik maakte kennis
met zijn hele gezin en at mee. Vervolgens pakte hij een camera, sleepte mij en zijn oudste
dochtertje mee naar een belendend park en begon ons te fotograferen tot het rolletje vol was.
Toen bleek dat hij wilde dat ik het kleutertje zou adopteren, financieel dan, alsof het een beest
in de dierentuin betrof. Ik bedankte feestelijk en ontsnapte naar mijn hotel.
Terug in Sai Gon trok bijna het hele gezelschap naar een beroemd restaurant omdat dat in
het bekende boek "The Silent American" wordt genoemd. Ik had geen zin in duur dineren te
midden van de armoede, wandelde de stad door en ging (overdag) naar de dierentuin.
Spoedig vertrok onze bus naar Da Lat, een stadje gelegen in het hoogland met een klimaat,
zo'n beetje als 'thuis'. Hier deed ik een schokkende ontdekking. Het bleek dat de etnische
minderheid in de buurt, de zgn. Montagnards, als tweederangs burgers werden behandeld.
Ik maakte kennis met een verkoopster van kleedjes, die voor ons hotel stond te venten, maar
die werd weggejaagd door het personeel. Recalcitrant als ik ben nam ik haar mee uit eten en
kwam er onder het diner achter waarom haar rasgenoten een opgejaagd bestaan leiden. In de
oorlog hadden velen de Amerikanen bijgestaan en daar moesten ze nog steeds voor boeten.
Daardoor sprak zij dan ook redelijk Engels. Ik kocht van haar een kleedje voor mijn ex.
WORDT VERVOLGD ....
;JOOP!